De afgelopen weken probeerde ik mij voor te stellen hoe de huidige tijd zou zijn geweest zonder onze slimme telefoons. In ons gezin zijn Job, Anna en ik in het bezit van een telefoon en heeft Roel de beschikking over zowel een zakelijke als een privé-telefoon. Mart heeft nog enkele jaren op de basisschool te gaan en is van mening dat hij straks de enige is in zijn klas die niet in een continue verbinding met de wereld om hem heen staat. Kortom, waarschijnlijk laten we ons bij Mart iets eerder over de streep trekken dan destijds bij Job die bij de overgang naar de brugklas en bij Anna die zelfs nog iets later een telefoon kreeg.

Ik stelde mij voor hoe de vele vragen, berichtjes, uitingen van vreugde en ongenoegen zouden moeten wachten tot de avond of misschien wel tot de volgende dag. We zouden meer gesprekken voeren, waarbij we elkaar in elk geval meer zouden aankijken en we zouden elkaars non-verbale signalen kunnen waarnemen. Of we er onder de streep altijd beter mee weg zouden komen, laat ik even in het midden. Of we die niet gesproken signalen van de ander altijd juist zouden interpreteren, is ook nog maar zeer de vraag.

Anna lijkt, vanaf het moment dat ze zich meer buiten ons gezichtsveld beweegt en meer vrijheden krijgt, met mij verbonden middels een onzichtbaar elastiek. De ene keer staat het elastiek strakgespannen, de andere keer hangt het wat losser. Helemaal los is het echter nooit. Deze verbinding komt tot uitdrukking in de vele zaken die via WhatsApp kortgesloten worden. Deze manier van communiceren heb ik overigens wat mijn contact met Anna betreft helemaal in mijn hart gesloten. Haar berichtjes variëren van “dit is mij overkomen, hoe nu verder” tot “ik heb ergens last van, pijn of ik trek het even niet meer, wat moet ik doen”.

Als pleegmoeder heb ik inmiddels geleerd wat ik moet doen om op afstand met de juiste woorden en de passende emoticons structuur en orde aan te brengen in de chaos die regelmatig in Anna’s hoofd heerst en de emotionele achtbaan van gevoelens die het soms van haar over lijkt te nemen. Dit in combinatie met de lage pijngrens waarover Anna beschikt, maakt het noodzakelijk vele zaken kort te sluiten. “Moet ik deze stagedag echt tot het einde blijven, dat ga ik niet volhouden” of “ik kan echt niet meer naar huis fietsen, het waait veel te hard”. Duimpje omhoog, vaak vergezeld met opbeurende woorden als “nog even volhouden” of “je kan het” worden door mijn telefoon als vanzelf herkend en voorgesteld door het veelvuldig gebruik ervan. Geruststelling is vaak de enige achterliggende gedachte. En blijkbaar is het net dat laatste duwtje dat nodig is of die bevestiging van iets dat ze zelf ook eigenlijk wel weet.